Category Archives: cultuur

En nog een brief aan de Kortrijkse agorafoben (3)

Beste stadsgenoten,

Nu richten we ons specifiek tot u, naar aanleiding van de ervaring dat velen onder u behept zijn met het onvermogen om (lege) ruimte te verdragen,  hier meer in het bijzonder die leegte van het Schouwburgplein.
De vorige missive was eerder gericht tot ons huidig bestuur dat niet minder dan één miljoen wil spenderen aan het “vergroenen” van de Grote Markt. Onze vrees spruit vooral concreet voort uit het voornemen  (een stadsproject!) van de nieuwe coalitie om  op onze Grote Markt – een pretpark – nu ook nog uit te pakken met een waterpartij, dansende fonteintjes namelijk. Met al die zandbakken, de kindermolen, de speeltuigen allerhande maakt dit concept de infantilisering van onze markt (de “ziel” van de Stad) compleet.

De Grote Markt dreigt hiermee definitief haar waardigheid te verkiezen. Er zijn hier nu eenmaal bestuurders  die menen dat het tot de kerntaak van een stad behoort om te zorgen voor permanente  animatie. De bezoeker herleidt tot een consument.

Dat Schouwburgplein nu. Die steenwoestijn.
Hier is iets anders aan de gang. Een ander ‘issue’.

Hier ervaren we we dat onze bestuurders gelukkig inzien dat dit plein uiteraard leeg moet blijven
. Altijd beschikbaar voor flexibel,  multi-functioneel gebruik.  Een Stad kan gewoon niet zonder een open ruimte, een min of meer grote oppervlakte met en minimum aan obstakels en decorum. Bepaalde manifestaties, programmaties, diverse evenementen dienen nu eenmaal mogelijk te blijven, op een centraal gelegen plek, in een Stad die naam waardig.
Probleem is  dat er blijkbaar nogal wat Kortrijkse stedelingen lijden aan “horror vacui urbanis”, ja zelfs een soort afkeer vertonen van het ongevulde plein.
Niets aan te doen. Een kaal plein confronteert.  Echt geruststellend is het niet.  Gezelligheid is geen troef.. Lijders aan  zo’n  ” visuele horror vacui “ wil agorafoben behelpen. Zo zijn ze wel.  Met een invulling van de ruimte: drie berkjes, wat siergras, bloembakken en nog een zitbankje erbij. Tijdelijke constructies mogen ook hoor ! Een frietkot.
En die defecte fontein, de “Golf” van Olivier Strebelle?
Wat moeten we daarmee? In stand houden als monument, rustpunt voor het oog.

Kijk.
Lezer,
we doen een toegeving aan onze hardnekkige agorafobe Kortrijkzanen.
U wilt de troosteloze vlakte doorbreken? We doen een voorstel.
Laten we  een luifel bouwen aan de ingang van de Stadsschouwburg. Maar dan wel een grote, een rustieke, in antiek smeedwerk en op gietijzeren palen. Met glas-in-lood. Ouwerwetse allure moet er zijn. Geen glad modern gedoe.
Kan nog dienst doen als kiosk ook. Er is leven in de woestijn.

 

Brief aan de Kortrijkse urbanistisch-esthetisch bevlogen agorafoben (2)

Beste stadsgenoten,

Dat moet nu toch wel een keer lukken zeg.
Ondergetekende, de eigenste senior-writer van uw Kortrijkse alternatieve stadskrant heeft minsten een decennium op de Grote Markt geresideerd. Daarna nog een paar decennia in het Begijnhof. geslapen. Qua open en gesloten publieke ruimtes is hij zonder twijfel een ervaringsdeskundige. Zo zal u nu wel beamen.
Beetje babbelen over slapen  in het Begijnhof leidt al vlug  naar claustrofobie als gespreksonderwerp en dat is in de context van deze brief niet echt het onderwerp. Alhoewel, het Begijnhof kan dienstig zijn als toevluchtsoord  voor wie  de terrasdrukte van de Grote Markt teveel is geworden. Begijnhofbewoners kan men beschouwen als ‘free riders’. Ze kunnen immers van twee walletjes eten:  met de Grote Markt  genieten zij van onmiddellijk bereikbare stedelijkheid, kunnen zij aldus ontsnappen aan de rustieke stilte en doodsheid van het Begijnhof. (’s Avonds gaat de poort  onverbiddelijk dicht !)

Die gezellige  Grote Markt nu.
Daarover willen we het eerst hebben.
Ontworpen door Secchi die  geloofde in een plein als open civiele ruimte, als een leegte die net door haar soberheid de kwaliteit van een Stad representeert. Laten we wel wezen: de soberheid van een plein vraagt van de Kortrijkzaan vertrouwen in de Stad zelf. Zo’n plein vertoont een historische monumentaliteit en doordachte geometrie  die geen bijkomend decor nodig heeft. Zo’n Stad die bewust is van zichzelf heeft geen nood aan een stadsplein met een bambino-kindermolen, met zandbakken of andere speelelementen. Het marktplein van zo’n Stad die vertrouwen en trots wekt bij de inwoners heeft absoluut geen nood aan een sportieve invulling. Zo’n Stad beschikt daarvoor toch zeker wel over een stadium?

Beste Kortrijkzaan, 

Het lijkt er danig op dat de huidige monstercoalitie onze Grote Markt nog wat meer wil infantiliseren
. In het meerjarenplan is zowaar één miljoen euro voorzien voor wat men bestempelt als een “vergroening”. De roep om struikgewas, bloempjes (zoals in de wei)  en boompjes is niet meer te stuiten. Véél bomen, eventueel in keurige designbakken zodat ze mobiel blijven, – men weet nooit welke modetrend zich nog in deze bestuursperiode kan aandienen.
En dan die fonteintjes ! We hebben het heus niet vergeten.  In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen verscheen een kitcherig ogende 3D-visualisatie van hoe  het toekomstig bestuur de Grote Markt wilde omtoveren in een imaginair landschap. Warempel met zgn. ‘dry desk fountains’. Dansende fonteintjes. Gespetter alom. Een waterpartij is trouwens geschikt om het hitte-eilandeffect tegen te gaan, – of wist u dat soms niet? Zelfs ecologie kan ingeroepen als rechtvaardiging voor geprogrammeerde over-inrichting van een plein.

Een ” grote markt ”  –  het hart, zeg maar de ziel van een Stad  – is een civiele, democratische ruimte. Het is géén park of plantsoen, géén plopsaland, géén attractie, géén welnessresort, géén landschappelijk object. Het is een plein.  Een collectief stedelijk podium om te feesten, te betogen, handel te drijven, te pronken, te vergaderen, te rouwen, te herdenken –  of een forum ook om niets te doen. Mensjes kijken.
Het is en plek waar men zich (willen of niet) een echte Kortrijkzaan voelt.

Vanwaar die hardnekkige drang om een sober marktplein te “verzachten”, te verrommelen, op te tuigen, te decoreren, in te vullen, te vergroenen? Te bezaaien met terrassen?
Hiervoor moeten we twee “instanties” ter verantwoording roepen; 1) de bestuurders en 2) de agorafobe burgers.

Eerst de bestuurders.
Die zijn gedreven  door een politieke angst.  Angst om niets te doen. Iedere nieuwe lichting van bestuurders wil altijd opnieuw uitpakken met ‘projecten’.  STADSPROJECTEN ! Men wil iets doen, iets zeggen, iets tonen. Niets geschikter of eenvoudiger is dan : een ruimte herinrichten. Burgers tonen waarvoor al dat belastinggeld dient.
En elk herinrichtingsproject begint met de impliciete veronderstelling dat het bestaande tekortschiet. Hier in Kortrijk: de horeca moet gered.
Het resultaat is een overgeprogrammeerde stedelijke rommelmarkt. Het vergt moed van bestuurders, ontwerpers, jury’s om te erkennen dat kwaliteit kan ontstaan door weglating in plaats van door toevoeging. Een leeg, sober plein is een gedurfde radicale keuze. (Het is tegenwoordig een hardnekkige misvatting bij al onze Vlaamse steden dat leegte een probleem is.)

Beste lezer, 

Met die laatste bemerking belanden we rechtstreeks bij u ! Bij de agorafobe burgers met hun angst voor lege ruimte en stilte. En bij het gebrek aan moed om een bepaalde ruimte te vertrouwen, bijvoorbeeld die steenwoestijn van het Schouwburgplein.

(Er komt nog post.)

Een brief aan de Kortrijkse agorafoben (op komst)

Als je  bepaalde Kortrijkse gebruikers van ‘socials’ als FB of van de groep “Architectuur in Kortrijk”, ook op FB , of zelfs van bestuurders van de regerende fractie TBSK leest, dan  kun je de indruk opdoen dat er ter stede een nieuwe existentiële crisis is uitgebroken. Niet alleen over parkeren,  of over GAS-boetes, zelfs niet over de staat van de Leieboorden.
Neen, – over het ondraaglijke drama van … lege ruimte.
De Grote Markt blijkt voor sommigen een woestijn, om niet te spreken van het Schouwburgplein. Die plek is voor nogal wat burgers een soort stenige savanne.
En dus klinkt de roep om meer “vergroening” en – jawel –  fonteintjes ook nog.
Kortrijkwatcher heeft daar zo zijn mening over.
In een volgende editie willen wat uitweiden over wat we benoemen als urbanistich-esthetische agorafobie.

Naar een ultieme totaalrestauratie van Preetjes molen (4)

Tja. Waar waren we eigenlijk gekomen?
Bon.
We menen ons goed te herinneren dat de wieken van de vlaszwingelmolen werden stilgelegd in het voorjaar van  2023.
Het is duidelijk, er waren maar weer eens  enige werken nodig, –  nu minstens aan de staak, de wieken, de assenkop.

Beste lezer!

Wat er nu volgt aan overleg, studiewerk en voorbereidende werkzaamheden kan men enigszins vergelijken met de moeizame, jarenlange gang van zaken bij de bouw van de koepel van de Duomo (de Cattedrale) van Florence.

In februari 2024 heeft men eindelijk een molenbouwer gevonden die ter plekke enkele vaststellingen kwam doen omtrent de toestand van Preetjes molen.  De hoop rees – zo stond er in de gazetten – dat de molenbouwer zo snel mogelijk (maart!) een plek zou vinden in zijn drukke planning om een offerte  op te maken.

Opdracht tot “totaalrestauratie” van de molen (9 september 2024)

Hiervoor waren twee rapporten nodig van Monumentenwacht en overleg met het Agentschap Onroerend Erfgoed. Het dossier is opgemaakt met de insteek van de interne erfgoeddeskundige, experten molenbouwers (meervoud!) en molenaars van Heule.
Het bestek van de werken slaat op kruipalen, de molenas, het gevlucht, de trap, de staak, twee nieuwe zeilen. En alle nieuwe delen moet nog een keer gebeitst. (Die werken zijn dus nu aangevat.)
Na marktverkenning werden de volgende “enige 2 Belgische firma’s(sic) aangeschreven:
– Dirk Peusens Molenonderhoud en Molenrestauraties uit Merelbeke;
– Molenbouw Wieme uit Machelen.
De uitgave voor de opdracht is geraamd op 162.835,75 euro (incl. 21% BTW). (Er wordt een premie van 60 % aangevraagd, zijnde 80.745 euro zonder BTW.)
Hoe een of ander medewerker van de Directie Ruimte/Gebouwenbeheer een raming kan opmaken voor zo’n gespecialiseerde  overheidsopdracht is me een raadsel.  Zou wel eens willen weten wie de molenbouwer was die in februari 2024 de toestand van de molen eventjes kwam bekijken. Die mocht  uiteraard niet meer aangeschreven worden voor het indienen van een offerte. 

De gunning (18 november 2024)

De winnaar is de firma Modelbouw Wieme Roland en Kris BVBA
Prijs: 170.772, 14 euro (incl. btw) (29.638,14 euro btw).
Een korting kon stad niet bekomen bij het indien van een ‘best and final offer’ (BAFO).
Gezien de schaarste aan molenbouwers” (sic) kon de firma wel bekomen dat men pas eind van dit jaar 2025 met de werken zou starten.
In de gunningscriteria was 30 punten voorzien voor de uitvoeringstermijn. Die is vastgesteld op 180 werkdagen.
Als we 27 oktober ll. aanzien als start van de werken moeten die dus eindigen op 6 juli 2026.
Tot dan !


Stad Kortrijk wil nu zelf vlas gaan zwingelen in “Preetsjes molen” (3)

Pro memorie

De lezer zal zich de voorgeschiedenis wel herinneren, zo meent  kortrijkwatcher althans.
De vlaszwingelmolen in Heule is in 1866 gebouwd door ene Ivo Depez. Vandaar de naam trouwens!… Zeker na WO I  raakte de molen zodanig in verval dat wat nog overbleef stilaan kon beschouwd worden als een uniek stuk erfgoed.  (In 1944 werd de molen trouwens aangezien als een beschermd monument.)
– In 1934 kon Jean-Baptiste de Béthune  de verwaarlozing echt niet meer dulden  en liet hij op eigen kosten wat lapwerk uitvoeren.
– Vanaf 1957 nam het toen nog autonome Heulse gemeentebestuur  het initiatief om sporadisch te investeren in enige herstelwerken.
– Maar in 1990 namen “De vrienden van Preetjes molen” het heft in handen. De vzw kreeg de molen in 1887 zelfs (gratis) in erfpacht (tot  2024!). Na weerom diverse – en soms dure werken –  slaagde men erin om in 1996 in de molen te laten draaien.

Een tekenende anekdote voor de bestuurlijke gang van zaken.
Op 28 juni 1955 ontving het gemeentebestuur van Heule een brief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen met de mededeling dat men zou overgaan tot opheffing van de bescherming van de molen, aangezien hij volgens hun gegevens niet meer bestond.

2016: Stad wordt eigenaar van de vlaszwingelmolen
(In de bestuursperiode 2013-2018 is schepen Wout Maddens bevoegd voor Bouwkundig Erfgoed en Monumentenzorg.)

De vzw kon intussen het onderhoud en de exploitatie zowel bestuurlijk als financieel niet meer bolwerken en smeekte  in 2016 dat stad Kortrijk de molen zou aankopen, eigendom van de familie Vandenbulcke-Deprez.
Het College van Burgemeester en Schepenen van 20 juni 2016 besliste om de nodige stappen te ondernemen om de molen te verwerven. Een akkoord met de familie werd bereikt om de molen met bijhorende grond (690 m²) te kopen  voor een bedrag van 10.000 euro. (Dat is  lager dan de geschatte prijs van 12.500 euro.)
Er zijn wel weer dringende onderhoudswerken nodig: schilderen, vastmaken van de wielen, oplappen van het strooien dak.
Het duurt nog tot 5 december 2016 eer het dossier voor de gemeenteraad komt.

De eerste kosten voor Stad
(In de bestuursperiode 2019-2024 is Philippe De Coene schepen voor Onroerend Erfgoed..)

–  2020: de Dienst Gebouwen van stad geeft opdracht aan Monumentenwacht West-Vlaanderen om een inspectie van de molen uit te voeren.  Het rapport geeft aanbevelingen om dringende en minder dringende werken aan te vatten.
– 2021: dringende wreken aan de draai- en askop worden uitgevoerd. 12.559,80 euro.
– 2022: de rieten dakbedekking krijgt een beurt. 7.64,80 euro.
Voorjaar 2023: de molen wordt stilgelegd !!
April 2024:  een nieuw rapport van Monumentenwacht vindt dat een algehele restauratie nodig is.
– Voorjaar 2014: in afwachting van die totale restauratie gaat men nog vlug over tot tot wat kleine herstelwerken,  schilderen, bescherming van rieten dak, vernieuwen van wat ‘loodslabben’. (Prijs niet gevonden.)

2024′: de bestuurskracht slaat toe
Op 9 september 2024 bepaalt het College de voorwaarden en de wijze van gunnen voor een algehele en waarlijk grondige  restauratie van de molen.
Twee firma’s (en slecht twee) worden aangeschreven. Geraamde kostprijs 162.835,75 euro (incl. BTW 21%.)

P.S.
Daarover hebben we het in een volgende uitgave van deze krant.
Het gaat om de werken die nu pas zijn gestart en hoogstwaarschijnlijk in de zomer van volgend jaar kunnen beëindigd. Dan krijgen we (na al die vele tussentijdse ingrepen…) me dunkt een soort replica van de de molen, zo zou men kunnen stellen…

 

Preetjes molen zwingelt om geld (2)

De prehistorie / eerst bemoeienissen vanuit de politiek

Preetjes molen in Heule is een vlaszwingelmolen gebouwd in 1866 door Ivo Deprez. In de streek stonden in die tijd wel meerdere van die molens maar dit exemplaar is, niettegenstaande allerhande calamiteiten (brand, oorlogsschade, verwaarlozing), als enige van dit soort overgebleven.

In 1934 kon baron Jean-Baptiste de Bethune (vader van Manu en dus grootvader van huidige provinciaal deputé Jean) het verval van de molen niet meer aanzien en hield hij een pleidooi voor de redding ervan. Jean-Baptiste had namelijk een trieste afbeelding van  de wegkwijnende molen gezien in het blad “Patriote Illustré”.  Hij besteedde – na een tevergeefse oproep  om subsidies – uiteindelijk zelf een paar duizend franken (in die tijd!)  om het dak en de zijkanten van de molen te vernieuwen.
Jean-Baptiste was een politieker (ooit schepen in Marke) zodat we  zijn optreden kunnen aanzien als een eerste (financiële) tussenkomst van de politieke wereld in  de geschiedenis van de molen.

Nu moeten we, in dit opzicht althans,  een sprong maken naar 1957.
Het gemeentebestuur van Heule (toen nog autonoom) is er in mei van dat jaar in geslaagd om  een speciaal lastenkohier op te stellen voor de restauratie van de molen. (Merkwaardig: de burgemeester Christian Goethals is van adel. Notabelen hebben blijkbaar iets met erfgoed.) Met die studie is een technische raadgever (Marcel Braet) jarenlang  bezig geweest. De daaruit voortvloeiende werken werden opgeleverd in mei 1959.
Het is een eerste voorbeeld van traagheid van bestuur in de  geschiedenis van de molen.
Het Heulse gemeentebestuur had wel nog grootse plannen, maar die zijn niet uitgevoerd. Men wou van de molen een klein publiek museum maken met als thema ‘vlas in de oudheid’.
Zowat vijftien jaar lang gebeurt er dus niks.

Ter gelegenheid van het Europees Jaar van het Bouwkundig erfgoed (1975) werden er nog wat dringende herstellingswerken aangepakt.
Hoeveel het Heulse gemeentebestuur in totaal  heeft besteed aan  sporadische werken aan de molen is wellicht te achterhalen in het stadsarchief.

De jaren ’90 / bemoeienissen van de heemkundigen

Ook tussen 1975 en 1992 gebeurden er alweer niet de minste onderhoudswerken. De politiek liet het afweten.
De Heemkundige kring “Langs d’Heuleboorden” slaat nochtans alarm in de jaren ’80.  Publicaties in het halfjaarlijks tijdschrift “Heulespiegel” proberen de aandacht te trekken van de provincie en  het bestuur van ‘Monumenten en Landschappen’  op de ellendige staat waarin de molen verkeerde.
Een uitgebreid artikel in 1990 van de hand van Luc Soens brengt een aantal mensen van de Heemkundige kring, de Cultuurraad, de VVIA (met de betreurde Adriaan Linters!), de Koning Boudewijnstichting, het stadsbestuur en zelfs de eigenaars samen rond de tafel.
Uit die gesprekken ontstaat op 15 november 1990 officieel de vzw “Vrienden Van Preetjes molen”. De statuten zeggen dat men de vlasmolen wil behouden, restaureren, valoriseren en wetenschappelijk bestuderen. (Gewone leden storten 5 euro, steunende leden 20 euro, beschermende leden 59 euro.) 
De vzw slaagt er in1992 in om de molen in erfpacht te krijgen, nog wel voor een symbolische frank en tot in 2024 (!).
In hetzelfde jaar worden enkele noodzakelijke instandhoudingswerken uitgevoerd (het dak wordt waterdicht gemaakt). Uit  een studie van architect Freddy Roose blijkt alras dat ingrepen uit het verleden niet geheel professioneel waren, tevens  niet conform met de oorspronkelijke toestand.
Een ernstige restauratie van zowel de boven- als de onderbouw drong zich op.  Werkzaamheden gebeurden in twee fasen en duurden van 1993 tot 1996. Op 8 oktober van dat jaar 1996 kon men eindelijk een “draaivaardige” molen inhuldigen, met het passende bijzijn van de nodige prominenten.
Men zou denken: eind goed, alles goed.

Maar in 2010 was het weerom prijs.
In dat jaar kreeg de molen een grondige onderhouds- en schilderbeurt, en dit om te pronken als nooit te voren. Molenbouwer toen was Eric Verleene. Van die werken kennen we de geraamde kostprijs: 26. 000 euro. De vzw zou instaan voor 20 procent maar hoopte op een tussenkomst van Stad.
Heel het gedoe wordt evenwel te zwaar voor de vrienden van de molen.

—–

In een volgend stuk vertellen we hoe  Stad eindelijk een eind stelt aan het hele flipflopgebeuren rondom die molen in Heule.
Naar aanleiding van het 150 jarig bestaan van het erfgoed vraagt de vzw  “Preetjes Molen” in 2016 aan Stad Kortrijk om de vlasmolen aan te kopen. Er zijn alweer dringende onderhoudswerken nodig.
Van nu af aan kunnen we – serieus gedocumenteerd – beginnen met het vermelden van wat die vlasmolen ons zoal kost. Alhoewel, toch weer niet helemaal…
Stad geniet van een voorkooprecht op de molen voor de (te indexeren) prijs van 200.000 BF en nog 50.000 BF voor de grond. In 2016 gaat dat omgerekend om een geschatte aankoopprijs van 12.000 euro.   


 

 

 

Subsidies voor musea, OK, maar hoeveel voor Abby?

Ons gloednieuw museum (een kunst- en tentoonstellingssite) Abby in het Groeningepark (met ‘een gebouw van het Jaar) staat vandaag aangeschreven als een cultuur- en  erfgoedinstelling van “bovenlokaal” niveau. Bedoeling is wel dat men wil ingedeeld worden in de categorie van musea van “landelijk” niveau.  Zo zijn er momenteel 19, als we de CE-instelling “Musea Brugge” meetellen.
Over de criteria om dit kwaliteitslabel te verkrijgen gaan we het hier nu niet hebben . Allemaal te vinden in het Cultuurerfgoeddecreet, en meer in detail op de webapplicatie van het departement Cultuur, Jeugd en Media. (Het zal wel duidelijk zijn dat een museum met die hogere status moet blijk geven van een werking met landelijke impact.)

In het verleden genoot Abby alreeds van aanzienlijke subsidies voor de bouw (9,5 miljoen?), van het Erfgoedplatform (156.390 euro),  van Vlaams Toerisme (38.400 euro). Via het Kunstendecreet (Caroline Gennez) krijgen we 50.000 euro voor de nakende najaarstentoonstelling genaamd “Faith no more – Rituals for uncertain times”.
Het is allemaal een beetje moeilijk om bij te houden.

Voor de beleidsperiode van 2024 tot 2028 (vijf jaar) krijgt Abby van de Vlaamse Gemeenschap als bovenlokaal museum een jaarlijkse werkingssubsidie van 200.000 euro.
Die wordt jaarlijks ter beschikking gesteld in de vorm van twee voorschotten (van 45%) en een saldo (van 10%) na uitvoering van het jaarlijks toezicht.
In de subsidieovereenkomst met Stad over de werking van Abby  zijn er een aantal artikels die onze aandacht weerhouden.
Art. 13:
Abby maakt de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten bekend via de website van de organisatie.
Art. 14:
Abby erkent het belang van het gebruik van het Nederlands bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.
Art. 15:
Abby bezorgt jaarlijks uiterlijk op 1 april een verantwoording over het voorafgaande jaar aan de administratie.
(Het gaat om een functionele en financiële verantwoording en een jaarverslag. (Alle gesubsidieerde activiteiten dienen vermeld.)
Art. 17:
De administratie, eventueel bijgestaan door externe experten, voert minstens twee keer een evaluatie uit (een tussentijdse en een eindevaluatie).  De tussentijdse evaluatie  gebeurt mede op basis
van een zelfevaluatie.

Met een landelijke erkenning krijgen musea uiteraard hogere werkingssubsidies van de Vlaamse Gemeenschap. Voor de lopende beleidsperiode 2024-2028 is Abby te laat. En voor de volgende periode van vijf jaar (2029-2033) hebben we eigenlijk nog een zee van tijd om een aanvraag voor meer centen in te dienen. Moet pas uiterlijk tegen 15 januari 2028.

Hoeveel krijgt zo’n landelijk erkend museum tegenwoordig?
Voor de huidige periode gaat dat van 1.890.000 euro (voor S.M.A.K.)  naar 450.00 euro (voor GUM – Gents Universiteitsmuseum & Plantentuin).
De CE-instelling “Musea Brugge” is een apart geval: 2.758.000 euro.
Gentse instellingen zijn opvallend goed bedeeld: S.M.A.K. (reeds vermeld), Dr.Ghislain (1,51 M), MSK (1,41 M), Design Musem (1,29 M), STAM (965 D), Industriemuseum (866 D), GUM (al vermeld).

Er zijn 31 bovenlokale musea.
– “Huis van Alijn” (alweer Gent!) krijgt de hoogste score met 485.000 euro.
– Ons  bovenlokaal “museum” Texture (11de plaats) krijgt 313.000 euro per jaar.
Abby staat op de 28ste plaats  met 200.000 euro.
– Aan de staart:  het MOU – Museum van Oudenaarde met 157.000euro.